Column

Door Sander Groen, docent aan de School voor Reisjournalistiek
7 jun 2017

Plagiaat is dodelijk voor reisbloggers

‘Hij die zonder zonden is, werpe de eerste steen,’ zo luidt het evangelie. Reisjournalisten en reisbloggers zijn net echte mensen. Door deadlinedruk, gebrek aan creativiteit of domheid begaan ook zij wel eens een misstap. Maar even snel een artikel in elkaar knippen en plakken kan ernstige consequenties hebben.

Slordigheid, onwetendheid, corruptie, fantasie, partijdigheid en misleiding zijn stuk voor stuk kwalijke zaken. In les 3 van de Masterclass Reisjournalistiek, ‘de basisprincipes van de (reis)journalistiek’, wordt aandacht besteed aan ‘de 7 journalistieke doodzonden’. Maar één van die journalistieke zonden steekt er met kop en schouders bovenuit: plagiaat. Dat komt altijd uit en het loopt nooit goed af. Vaak betekent het zelfs het einde van je carrière.

Bewijs van onkunde

Toch is plagiaat iets waar je niets voor hoeft te doen. Je hoeft er niet voor op reis, je hoeft er zelfs niet voor te schrijven – je hoeft alleen maar te kunnen knippen en plakken. Plagiaat plegen kan iedereen, maar is tegelijkertijd het ultieme bewijs dat je geen knip voor de neus waard bent.

Zelf heb ik er als reisjournalist ook mee te maken gehad. Een redacteur met wie ik op groepspersreis was, kopieerde een lap tekst uit mijn reisverhaal, veranderde een paar woorden en plakte het in haar eigen artikel, dat vervolgens werd gepubliceerd in een concurrerend tijdschrift. Door de structuur, woordkeuze, zinsbouw en toon was het duidelijk herkenbaar als mijn tekst, toch reageerde de hoofdredacteur laconiek: “Ach, jullie waren op dezelfde persreis, logisch dat je met hetzelfde verhaal terugkomt.”

Regelmatig vind ik mijn eigen teksten terug in brochures en op websites van reisorganisaties, zonder toestemming, zonder bronvermelding en zonder dat ik daarvoor betaald ben. Nog vaker worden mijn foto’s gestolen en op internet geslingerd. Imitatie is de mooiste vorm van vleierij, zo wordt gezegd. Toch treed ik ertegen op, want het kost mij inkomsten. Gelukkig is het auteursrecht in Nederland goed geregeld; meestal is dreigen met maatregelen al genoeg om alsnog betaald te krijgen.

De definitie van plagiaat volgens de Dikke Van Dale

Wat is plagiaat?

‘Plagiaat is het uitgeven of publiceren van een werk van een ander alsof het het zijne is’ – artikel 13 en 14 Auteurswet. Er bestaan vele definities, maar waar het op neerkomt is dat je vrijelijk citeert uit andermans werk en dat vervolgens publiceert alsof het een door jou vervaardigd origineel werk is. Simpel gezegd: plagiaat is pronken met andermans veren.

In de ogen van velen lijkt daar niet eens zoveel mis mee. Want een tekstje dat op internet staat, dat is toch openbaar? Dat klopt, maar dat betekent niet dat je dat zomaar mag stelen. Want er bestaat in Nederland, en alle andere landen ter wereld, ook nog zoiets als auteursrecht, alias copyright. Dat bepaalt wanneer je wel en niet mag citeren uit andermans werk en of je dan bijvoorbeeld de bron moet vermelden. Hou je je daar niet aan? Dan pleeg je plagiaat. En dat is een strafbaar feit.

Natuurlijk mag je je laten inspireren. Voordat je een artikel schrijft, bekijk je wat anderen over dat onderwerp hebben geschreven. Dat kan je op een idee voor een invalshoek, journalistieke vorm of zelfs toon brengen. Niks mis mee. Maar inspiratie opdoen is iets anders dan knippen en plakken. Waar ligt dan de grens? Een tekst die significante overeenkomsten in toon, stijl, woordkeus en zinsbouw vertoont met een eerder gepubliceerde tekst, valt aan te merken als plagiaat. Zodra de toetscombinatie control-C + control-V eraan te pas komt, ben je de klos.

Een paar voorbeelden, niet per se uit de reisjournalistiek, maar daarom niet minder relevant.

Praktijkvoorbeeld 1: ‘Silvanagate’

‘Silvanagate’ is op Goede Vrijdag 2015 trending topic op Twitter. Onderwerp van het schandaaltje is journaliste Silvana Hagge, die artikelen en columns schrijft voor het plaatselijke sufferdje Dit is Assen. Alleen schrijft ze die niet zelf. Columns van VPRO-programmamaker Tim den Besten, copywriter Marnix Pauwels en tv-presentatrice Linda de Mol worden woordelijk overgeschreven. Silvana drukt op control-C en control-V, zet erboven een andere kop (Quinoakutten wordt Superfoods) en eronder haar eigen naam, levert het in bij de redactie en stuurt een factuur.

VPRO-programmamaker en columnist Tim den Besten luidt de plagiaatklok op Instagram

Niks aan de hand, denkt Silvana. Maar wat ze dan doet is niet snugger: ze publiceert het knip-en-plakwerk op haar website. Het plagiaat komt uit, Twitteraars schreeuwen moord en brand en de media pikken het op, van EenVandaag tot De Telegraaf. Zelfs de bio op haar website blijkt te zijn gekopieerd. Silvana doet alsof haar neus bloedt: “Het is toeval.” Een week later trekt ze alsnog het boetekleed aan: “Er zijn maar drie woorden die écht omschrijven hoe ik me nu voel. Dom. Dom. Dom. Nadat Tim den Besten afgelopen vrijdag een zeer terechte tweet plaatste brak er een shitstorm uit. Een shitstorm die ik verdien. Ik ben ongelofelijk dom geweest en daar wil ik mijn excuses voor aanbieden.”

Maar het is te laat: het Assense maandkrantje heeft Silvana dan al op staande voet ontslagen. Einde carrière – want als je naam op Google vooral zoekresultaten over plagiaat oplevert, kom je niet meer aan de bak.

Praktijkvoorbeeld 2: de Volkskrantaffaire

“Geachte lezer, de Volkskrant heeft de afgelopen maanden een aantal artikelen gepubliceerd waarvan passages blijken te zijn overgeschreven van andere media in binnen- en buitenland, zoals The Guardian, Vice, het Financieele Dagblad en NRC. Al deze artikelen zijn van de hand van een verslaggever die stage liep bij de krant, Geerlof de Mooij. Hij nam zonder bronvermelding alinea’s over en bracht uitspraken van geïnterviewden tegenover andere media alsof ze tegen hem waren uitgesproken.”

Het mea culpa van Volkskrant-hoofdredacteur Philippe Remarque

Aldus Philippe Remarque, eveneens in 2015. De hoofdredacteur van een van Neerlands beste kwaliteitskranten moest diep door het stof, toen uitkwam dat artikelen bij elkaar geknipt-en-geplakt waren. In één geval zelfs een compleet interview: “Het vraaggesprek met de Bosnische Kroaat Drazen Erdemovic, een van de uitvoerders van de massamoord in Srebrenica. Dat verscheen op 11 juli in de krant. Ernaast stond dat ‘het interview telefonisch heeft plaatsgevonden’.” In werkelijkheid was het overgeschreven uit een boek, een toneelstuk en verklaringen bij het Joegoslavië Tribunaal.

De destijds 19-jarige De Mooij was de superstagiair van de Volkskrant – op de redactie viel hij in positieve zin op en hij had een glansrijke carrière in het vooruitzicht. Google je nu zijn naam, dan neemt de Volkskrantaffaire de volledige eerste pagina van zoekresultaten in beslag. Het internet vergeet niets.

Praktijkvoorbeeld 3: ‘In eigen woorden’

Op de School voor Journalistiek in Utrecht worden jaarlijks gemiddeld vijf studenten betrapt op plagiaat, die dan voor de examencommissie moeten verschijnen en in het uiterste geval voorgoed van school worden gestuurd. Volgens Trajectum zijn die vijf slechts het topje van de ijsberg. Ook ikzelf kreeg onlangs weer te maken met het hardnekkige verschijnsel, ditmaal in mijn hoedanigheid als docent aan de School voor Reisjournalistiek. De contentmanager van een grote reiswebsite mailde me dat een gepubliceerd artikel van een cursist wel heel erg leek op een door hen gepubliceerd artikel uit 2014. Tot mijn schrik bleek de klaagster volkomen gelijk te hebben.

Passages uit de oorspronkelijke en de gekopieerde tekst

Niet alleen was de vorm van beide artikelen hetzelfde, maar ook de inhoud: hele zinnen en zelfs complete alinea’s waren nagenoeg woordelijk identiek. De cursiste had beter kunnen en moeten weten, toch was ze zich van geen kwaad bewust: “Mij is altijd verteld is dat plagiaat betekend (sic!) het letterlijk overnemen van hele zinnen aaneen / stukken tekst. Wanneer je zinnen en dergelijke in eigen woorden opschrijft, dat het dan geen plagiaat is.” Maar het waren nou juist níet haar eigen woorden, zoals bovenstaande voorbeelden bewijzen.

‘Ich habe es nicht gewusst’ gaat niet op: in de cursus komt plagiaat uitgebreid aan bod en ook in de besloten Facebook-groep van de cursisten kwam het onderwerp meer dan eens ter sprake. De betrokken cursiste is per direct geroyeerd. Het artikel, en nog drie door haar geschreven artikelen, zijn van de website verwijderd. En haar eindcijfer en certificaat zijn ingetrokken.

Schering en inslag

Op glad ijs en in alle eerlijkheid: knippen en plakken lijkt onder beginnende reisjournalisten en reisbloggers schering en inslag te zijn. Er wordt in ieder geval veelvuldig over geklaagd. Maar het simpele feit dat het in de praktijk vaak gebeurt, betekent nog niet dat het oké is. Andermans teksten overnemen zonder toestemming en zonder bronvermelding is plagiaat. En dat is een strafbaar feit.

Schrijven is een vak. Schrijven betekent níet dat je vrijelijk kan putten uit wat er voorhanden is, dat bij elkaar kan knippen en plakken en dan safe zit als je ergens een komma of een punt op een andere plek zet. Schrijven betekent dat je zélf schrijft, dat je zelf creëert, dat je iets maakt wat nog niet bestond. Dat is juist de grote verdienste van het vak. Als je dat niet kunt, dan ben je voor dat vak ongeschikt.

Plagiaat is diefstal. Bezondig je je daaraan, dan heeft dat ernstige consequenties. Doe het niet. Wees origineel. Schrijf niet over, schrijf zélf.

Nog 6 journalistieke doodzonden

Plagiaat staat dus met stip op nummer 1, maar zo zijn er nog meer doodzonden waarvoor reisjournalisten en reisbloggers moeten oppassen. Een gewaarschuwd mens telt voor twee, daarom hier de zes overige op een rijtje, afkomstig uit de Masterclass Reisjournalistiek.

Slordigheid

Onwetendheid

Corruptie

Fantasie

Partijdigheid

Misleiding

7

Slordigheid

Journalisten hebben invloed op de publieke opinie. Dat brengt de plicht met zich mee om het publiek op objectieve, zorgvuldige en integere wijze te informeren. Feiten in een artikel moeten kloppen; die moeten worden gecheckt en gedubbelcheckt. Betreft je artikel een persoon of bedrijf, dan pleeg je hoor en wederhoor. Een verkeerd gespelde naam, foutieve jaartallen, verdraaide citaten, geografische fouten: het zijn allemaal regelrechte journalistieke blunders. Of het nou komt door gemakzucht, tijdsdruk of scoringsdrift, uiteindelijk keert het zich tegen je: als jij op een redactie bekend komt te staan als de freelancer die slordige stukken levert, zal je geen klus meer krijgen.

Een brug is een brug

zon-guardianHet reiskatern van de Britse kwaliteitskrant The Guardian publiceert in 2007 een artikel over Madrid. Daarin belicht de ervaren reisjournalist Benji Lanyado een aantal bezoekwaardige locaties uit de films van de Spaanse regisseur Pedro Almodóvar. Van de vlooienmarkt El Rastro via flamencobar Villa Rosa tot stadsplein Plaza Mayor. Vanuit de hoofdstad wordt een uitstapje gemaakt naar een honderd kilometer verderop gelegen stad: “In Matador (1986) is het immense aquaduct van Segovia het duistere, broeierige decor van een Madrileens stel dat geobsedeerd is door seks en geweld.”

Boven het artikel prijkt een foto van dat beroemde eeuwenoude aquaduct: met stip de toeristische topattractie van Segovia. Maar wacht, daar klopt iets niet, want de film speelt zich volledig af in de hoofdstad. Het aquaduct van Segovia komt er dan ook niet in voor. Wel speelt een scène zich af in Madrid op een viaduct pal naast het koninklijk paleis. Wie Matador heeft gezien, weet dat het Almodóvars meest morbide film is. En wie Madrid kent, weet dat het vijfentwintig meter hoge viaduct in de film dient als metafoor voor dood en verderf. Het is een beruchte plek: gemiddeld eens per week pleegde iemand hier zelfmoord. Sinds 1998 is de betonnen boogbrug daarom met gepantserd glas van de gapende diepte afgeschermd.

“Zou je mij dood willen zien?”
“Ja. En ik zou willen dat jij mij dood zag.”

Viaducto de la Calle de Bailén, dat is de officiële naam van de brug, vernoemd naar de straat die er overheen loopt. De straat die er onderdoor loopt heet Calle de Segovia. In de volksmond heet het viaduct daarom ook wel Viaducto de Segovia. Om de verwarring compleet te maken, ligt een paar honderd meter verderop de Puente de Segovia, maar dat is dan weer een renaissancistische stenen boogbrug over de Río Manzanares. De naam Viaducto de Segovia bestaat louter in de volksmond, die is op geen enkele kaart terug te vinden. “Daar wordt natuurlijk het Aquaducto de Segovia mee bedoeld,” moet Benji Lanyado gedacht hebben. En zo stuurde hij zijn lezers niet naar het dodemansviaduct in Madrid, maar naar het veel beroemdere Romeinse aquaduct, honderd kilometer verderop in Segovia. Want een brug is een brug.

Vermoedelijk spreekt Lanyado geen Spaans en zeker is dat hij de film niet heeft gezien voordat hij zijn stuk schreef. En dan is de vergissing best begrijpelijk. Had hij de plek bezocht, even op YouTube gekeken of een reisverhaal van ene Sander Groen door Google Translate gehaald, dan was de fout niet gemaakt. En voor The Guardian, toch een van de beste kranten ter wereld, met een legertje aan eindredacteuren en feitencheckers, is dat een kapitale blunder.

6

Onwetendheid

“Een journalist zonder historisch besef is zoiets als een blind paard.” Aldus oud-politicus Frits Bolkestein in een opiniestuk in de Volkskrant over de zijns inziens afkalvende kwaliteit van de journalistiek. “Nu doceren de meeste Scholen voor Journalistiek ten hoogste enkele historische hoofdlijnen na 1945,” zo betoogt Bolkestein, “maar men kan de huidige wereld niet begrijpen zonder gedegen kennis van ten minste de historische, politieke en economische ontwikkelingen sinds de Franse Revolutie.”

Zoals elke journalist dient ook de reisjournalist goed beslagen ten ijs te komen. Ik ben tijdens een persreis in Israël eens een collega tegengekomen die niet wist dat er in Jeruzalem behalve joden ook Palestijnen wonen. In Istanbul had iemand geen idee dat die stad bestaat uit een Europees en een Aziatisch deel – of hoe de waterweg heet die beide continenten scheidt. Een paar honderd kilometer boven de Poolcirkel baalde een fotograferende blogger, omdat het er ’s winters de hele dag donker bleek te blijven.

Ga je dusdanig onvoorbereid op pad dat je in onwetendheid verkeert over zelfs de meest basale feiten van een bestemming, dan kan het nooit een reisreportage opleveren waar je lezer iets van opsteekt. Aan domheid valt niet veel te doen, aan onwetendheid wel: research is het toverwoord. En voor onervaren reisjournalisten is er een remedie: meer reizen. Hoe meer je van de wereld ziet, hoe beter je die zult begrijpen, zodat je lokale begrippen en gebruiken kan duiden.

5

Corruptie

De Code voor de Journalistiek is er klip en klaar over: “De journalist neemt geen materiële of immateriële vergoedingen aan die bedoeld zijn berichtgeving te beïnvloeden of te bevorderen of tegen te gaan.” Toch nemen vliegmaatschappijen, reisorganisaties en verkeersbureaus jaarlijks honderden journalisten gratis mee op reis.

Sponsoring is met stip het heetste hangijzer in de reisjournalistiek. Vooruit, ook lifestyle-, muziek- en autojournalisten worden gepaaid met gratis gadgets, concertkaarten en tripjes, maar in geen ander genre gebeurt het zo uitbundig als in de reisjournalistiek. Heb je ook maar een beetje naam en faam, dan puilt je inbox uit van de uitnodigingen voor persreizen. In meerdere of mindere mate beseffen alle betrokken partijen – journalisten, sponsors en lezers, in die volgorde – dat sponsoring in de reisjournalistiek een noodzakelijk kwaad is; redactiebudgetten zijn simpelweg niet toereikend om al die reispagina’s op eigen kosten te vullen.

Als sponsors journalisten louter faciliteren, dus ze in staat stellen hun werk te doen, is er niet zoveel aan de hand. Dan is het best mogelijk om een gesponsorde reisreportage op journalistiek verantwoorde wijze tot stand te laten komen. Het gaat mis zodra sponsors proberen invloed uit te oefenen op de inhoud. Andersom is ook de journalist die alles doet om de sponsor te pleasen, omdat hij anders een volgende keer niet meer wordt uitgenodigd, fout bezig. Dat is niet in het belang van de lezer, maar van de commercie. De sponsor kan er dan beter voor kiezen om een advertentie te plaatsen en de journalist kan dan beter aan de slag gaan als copywriter.

Sponsoring en journalistiek staan met elkaar op gespannen voet, zoveel is zeker. Op dit onderwerp wordt in de cursus dan ook uitgebreid teruggekomen; er zijn zelfs twee hoofdstukken aan gewijd.

Israël in de ban

zon-israelindeban“Ik ben geen voorstander van meegaan met dit soort reisjes”, zegt Frank Poorthuis in nrc.next. De adjunct-hoofdredacteur van het AD heeft besloten dat journalisten van de krant niet meer zullen meegaan met de jaarlijkse persreizen naar Israël en Palestina, georganiseerd door het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI).

Sinds 2009 gingen rond de honderd journalisten mee met deze persreizen, onder wie journalisten van Elsevier, De Groene Amsterdammer, de Volkskrant, Trouw, NRC en Elsevier. Het AD nu dus niet meer. “Als wij het nodig vinden om naar Israël te gaan,” zegt Poorthuis in NRC, “gaan we zelf naar Israël. Op eigen kosten hebben we geen enkele verdenking op ons dat we partij kiezen in dit conflict.”

“Volgens de reisprogramma’s en oud-deelnemers die deze krant sprak,” zo schrijft NRC, “geven de journalistenreizen geen evenwichtig beeld van het conflict. Zo verbleven journalisten acht dagen in Israël tegenover twee dagen in Palestina. Ook gaat de reis niet naar de Gazastrook en bepaalt het CIDI wie de journalisten te spreken krijgen. Bovendien let het CIDI op wat gidsen vertellen aan het reisgezelschap.”

Ook de hoofdredacties van Trouw, NRC Handelsblad en de Volkskrant besloten om niet meer in te gaan op uitnodigingen voor persreizen van de joodse lobbyclub. Alleen bij Elsevier bestaat geen bezwaar. “Hoewel ik niet denk dat het CIDI een evenwichtig beeld zal geven van het conflict, heb ik er geen problemen mee”, aldus hoofdredacteur Arendo Joustra. “Hoe meer mensen op stap gaan, hoe verstandiger ze worden.” Van Joustra mag CIDI de verblijfskosten ook betalen voor zijn redacteuren. “De reis wordt er niet anders door als we het zelf zouden betalen.”

4

Fantasie

De eerder aangehaalde Code voor de Journalistiek vermeldt ook: “In columns, recensies, opiniërende berichten en vergelijkbare genres komt de journalist een grotere vrijheid toe dan in andere berichtgeving, waar het gaat om het controleren van feiten, het achterwege laten van wederhoor, en het door elkaar gebruiken van feiten en fictie.”

Gelukkig maar, want dat gebeurt in reisverhalen vaak. Zo heb ik zelf citaten van verschillende mensen versmolten tot één hoofdpersonage, namen gefingeerd en gebeurtenissen verplaatst in tijd en locatie, als dat zo uitkwam en mijn verhaal diende. In de harde nieuwsjournalistiek zou dat misleiding zijn en een journalistieke doodzonde, in de ‘softe’ hoek van de journalistiek heet dat ‘dichterlijke vrijheid’.

Ook die dichterlijke vrijheid kent een grens. En die ligt bij leugens en bedrog: de beschreven bazaar, ijssalon of winkelgalerij moet wel bestaan. De onderliggende feiten moeten kloppen. Je lezers moeten je achterna kunnen reizen en erop kunnen vertrouwen dat zij de door jou beschreven sfeer er zelf ook kunnen aantreffen. Een reisreportage is weliswaar de subjectieve waarneming van één persoon, dus in zekere zin is het een recensie, maar het blijft een reportage en geen roman.

De fantast van Trouw

zon-perdiepramesarDagblad Trouw stuurde eind 2014 haar sterreporter weg. Onderzoeksjournalist Perdiep Ramesar, gespecialiseerd in gevoelige onderwerpen als jeugdcriminaliteit, mensenhandel, terrorisme en radicalisering, bleek bronnen te hebben verzonnen. Trouw trok 126 artikelen in, waaronder een reportage over de ‘Sharia-driehoek’ in de Haagse Schilderswijk, die in media, politiek en maatschappij veel stof had doen opwaaien.

“Het was een nachtmerrie,” zei hoofdredacteur Cees van der Laan later tegen Nieuwslicht op Den Haag FM. “De schade voor de krant is afschuwelijk geweest.” De krant liet Ramesars werk overdoen en kwam in mei 2015 met een 28 pagina’s tellende bijlage met als conclusie: de Sharia-driehoek bestaat niet. Ramesar had in ieder geval een deel van zijn verhalen uit zijn duim gezogen; een journalistieke doodzonde die alleen maar kon leiden tot ontslag op staande voet.

3

Partijdigheid

Don’t bite the hand that feeds you, luidt het gezegde. Stel: je bent in Turkije op uitnodiging van het Ministerie voor Toerisme, dat jouw vliegtickets, hotelovernachtingen, maaltijden en huurauto heeft betaald. Wordt het dan lastig om in je reisreportage iets lelijks te zeggen over dat land? Of je krijgt in Miami in een dure dagspa een massage van twee uur cadeau, waar je een week lang stevige rugpijn aan overhoudt – doe je in je verhaal dan alsof je neus bloedt, benoem je dat het niet goed was of schrijf je er überhaupt niet over?

Naast redactionele opdrachtgevers heb ik ook een paar commerciële klanten, waaronder de KLM. Als ik daar teksten voor schrijf, beschouw ik dat niet als journalistiek, maar als een commerciële klus. Dan komt mijn naam er niet bij te staan en schrijf ik niet kritisch over de KLM. Dat weerhoudt me er echter niet van om wél kritisch te zijn in een journalistiek stuk voor bijvoorbeeld het AD. Dan is niet de KLM, maar het AD mijn opdrachtgever. Het is hypothetisch, maar stel dat KLM op basis daarvan mij geen schrijfklussen meer zou gunnen, dan is het jammer maar helaas.

Zo zit het ongeveer ook met sponsors. Zij stellen je in staat om je werk te doen. Jij zet daar een publicatie tegenover, maar daar houdt de afspraak op. Probeert men vervolgens invloed uit te oefenen op de inhoud van die publicatie, dan komen ze bij mij voor een dichte deur. Is een sponsor daar ontevreden over, dan zij het zo. Mijn journalistieke onafhankelijkheid is me meer waard dan een opdrachtgever of sponsor meer of minder. De ‘hand die je voedt’ is uiteindelijk niet de krant of de KLM; je echte klant is de lezer.

De snotneus van Fons de Poel

zon-fonsdepoelEen sterk staaltje belangenverstrengeling was in april 2015 te zien in actualiteitenrubriek Brandpunt. Een uitzending over de omstreden salarisverhoging van de top van ABN Amro neemt tegen het einde een opmerkelijke wending. Presentator Fons de Poel, journalist met een lange en onbesproken staat van dienst, kiest op vrij onverholen wijze partij voor de staatsbank.

“Inmiddels bereidt ABN Amro zich voor op een beursgang, vermoedelijk nog dit jaar. We weten niet precies hoe de sfeer daar is, bijvoorbeeld bij die arme commissaris Van Slingelandt, die deze week zo hooghartig werd toegesproken door het GroenLinks-kamerlid Jesse Klaver, die deed alsof de man als een melaatse was neergedaald vanaf een andere planeet.” Ter illustratie van dat statement volgt een kort fragment en dan komt De Poel weer in beeld. “Snotneus. Dit was Brandpunt, goedenavond.”

Snel na de uitzending komt uit waarom De Poel partij had gekozen: ABN Amro was een van zijn opdrachtgevers. Een jaar eerder deed hij tijdens een evenement van de bank een goedbetaalde schnabbel. Hoofdredacteur Leo Feijen kan maar één conclusie trekken: “De KRO-NCRV hecht veel waarde aan de journalistieke integriteit van de medewerkers. Deze is hiermee in het geding gekomen.” De Poel wordt als Brandpunt-presentator per direct ontslagen.

2

Misleiding

Reisjournalisten die niet reizen: ze bestaan. Het klinkt ridicuul, maar ergens is het logisch: reizen kost tijd en geld, maar de vruchten daarvan, je verhalen, leveren steeds minder op. Van oudsher hebben vooral reisgidsschrijvers hiermee te maken. Ik ben zelf door schade en schande wijs geworden: ooit heb ik twee hoofdstukken van een reisgids in elkaar geflanst zonder er een stap voor buiten de deur te zetten; simpelweg omdat het honorarium dat dicteerde. Dat was eens maar nooit weer.

Van een reisgidsschrijver wordt verwacht dat hij maandenlang ter plaatse is om grondige research te doen. Tegelijkertijd betaalt de uitgever bij lange na niet genoeg om ervan te kunnen leven, maar zadelt hij hem wel op met een wurgcontract: hij mag zijn reizen niet laten sponsoren en vaak ook geen werkzaamheden verrichten voor concurrerende opdrachtgevers.

Hetzelfde geldt nu ook voor beginnende bloggers. Zij worden nog niet vaak uitgenodigd voor persreizen en moeten dan hun reizen zelf betalen of hun privévakanties aanwenden voor hun werk. Veelal publiceren ze dat op hun eigen blog, wat niets tot nauwelijks iets oplevert. En als er al eens een website een vergoeding biedt, dan is dat niet meer dan een paar tientjes.

Van liefdewerk kun je niet leven. Deze praktijken dwingen goedwillende reisschrijvers dan ook om te doen wat ze liever niet zouden doen: de boel belazeren. Bijvoorbeeld door te schrijven over plekken waar ze nog nooit zijn geweest.

De reisgidsschrijver die thuisbleef

zon-thomaskohnstammLonely Planet, met zes miljoen exemplaren per jaar ’s werelds grootste reisgidsenuitgever, kwam in 2008 in opspraak toen voormalig medewerker Thomas Kohnstamm een boekje open deed. Nadat hij had meegewerkt aan verschillende Lonely Planet-gidsen, onder meer over Chili, Brazilië en Venezuela, bracht hij zijn eerste eigen boek uit: Do Travel Writers Go to Hell? Daarin biechtte hij op veelvuldig te hebben gefraudeerd.

Hij had plagiaat gepleegd, dingen verzonnen en gratis hotelovernachtingen en maaltijden aangenomen, terwijl Lonely Planet dat haar schrijvers expliciet verbiedt – het staat zelfs gedrukt op hun visitekaartjes. Voor de gids over Colombia was Kohnstamm zelfs zijn huis niet uit geweest. “Ze betaalden me niet genoeg om naar Colombia te gaan, dus schreef ik het boek vanuit San Francisco. De informatie kreeg ik van een chick waar ik mee aan het daten was – een stagiaire op het Colombiaanse consulaat.”

Lonely Planet hield Kohnstamms werk tegen het licht en verklaarde later geen onjuistheden te hebben ontdekt, maar liet toch alle door hem geschreven hoofdstukken versneld updaten. Van tevoren was duidelijk dat Kohnstamm niet op reis zou gaan naar Colombia, zo verklaarde Lonely Planet. Twee andere auteurs deden het veldwerk, Kohnstamm hoefde alleen de inleiding en het hoofdstuk geschiedenis te updaten – wat hem met een mastertitel Latijns-Amerikaanse studies op zak prima moest lukken.

Hoe dan ook legde alle publiciteit beide partijen geen windeieren: Lonely Planet verkocht bijna een miljoen meer reisgidsen dan het jaar ervoor en Kohnstamms boek werd een bestseller.

3 Reacties

  1. Het omgekeerde is ons wel eens overkomen. Wij werden als pr bureau aangeklaagd door een Zwitserse fotografe/blogster. Wij zouden een foto van haar gebruiken zonder haar toestemming en die stond op onze website.
    Nu is Baltus Communications niet voor één gat te vangen en zijn wij daar even ingedoken. € 1000,- wilde ze hebben via haar Nederlandse advocate.
    Om een lang verhaal kort te maken. De foto was helemaal niet van haar hand, was zelf door de rechtmatige fotograaf rechtenvrij ter beschikking gesteld aan het verkeersbureau en ze droop af. Dit is ook zeer kwalijk om op deze manier geld binnen te halen, want het krijgen van een brief van een advocaat is altijd vrij intimiderend. Het heeft haar nu alleen maar geld gekost en een slechte naam.

  2. Lia Grooters

    Ik heb er meerdere keren mee te maken gehad dat artikelen van mij onrechtmatig werden overgenomen. Soms hondsbrutaal van a tot z. Altijd de NVJ ingezet. Meestal met succes.

    1. Dat wordt alleen maar meer door de ‘democratisering’ van de reisjournalistiek, denk ik. Het valt me op hoeveel beginnende publicisten niet op de hoogte zijn van zelfs de meest basale journalistieke principes. Dat is een onontbeerlijke basis, vandaar dat ik daar in mijn cursus een complete les aan besteed. Dat juist een van mijn cursisten – ondanks die kennis – toch die misstap maakte, daarvan viel ik van mijn stoel. ;) Goed dat je ertegen optreedt, want plagiaat is diefstal, zo simpel is het.

Plaats een reactie